‘Kenyér és bor: új versek’ van Dezső Kosztolányi is een gedichtenbundel die werd geschreven in de vroege 20ste eeuw. De gedichten behandelen thema’s als het leven, liefde, verlies en de tijd die voorbijgaat; ze verweven persoonlijke ervaringen met bredere maatschappelijke observaties. Kosztolányi’s werk kenmerkt zich door een diepe melancholie en introspectie; hij duikt in de menselijke conditie en de emotionele aspecten van het bestaan. De opening van de bundel introduceert de lezer in een reeks indringende gevoelens en gedachten. Het begint met een dedicatie aan een vriend en kunstenaar, waardoor een persoonlijke band wordt gelegd. In het eerste gedicht worden gevoelens van tevredenheid gecombineerd met onderliggende droefheid; de spreker reflecteert op materiële rijkdom, maar worstelt ook met existentiële vragen. Verder in de bundel verkent Kosztolányi liefde, sterfelijkheid en herinneringen aan jeugd, gebruikte hij hiervoor levendige beelden en lyrische taal. Themen als verlangen en nostalgie komen sterk naar voren, waardoor er ruimte wordt gecreëerd voor dieperere exploraties in de rest van de bundel.