‘The Common Reader’ van Virginia Woolf is een verzameling essays die aan het begin van de 20ste eeuw zijn geschreven. Het boek biedt een gedachtewerkt onderzoek naar literatuur, gezien door de ogen van de gewone lezer. Hierin wordt de waarde van lezen uit pure genoegen benadrukt en wordt aangehaald hoe non-experts unieke inzichten kunnen brengen in literaire critiek. Woolf beschrijft zowel historische als hedendaagse figuren uit de literatuur, met een focus op de ervaringen, gedachten en meningen van de gewone lezer in verhouding tot de complexiteit van literaire beoordelingen. Het boek begint met een citaat van Dr. Johnson, waarmee de toon wordt gezet voor Woolfs reflectie over de rol van de gewone lezer – een persoon die, onbelemmerd door academische vooroordelen, een echte intuïtie heeft voor wat goede poezie en literatuur is. Woolf vergelijkt de gewone lezer met critici en wetenschappers en stelt dat deze laatste een unieke inzicht hebben die voortkomt uit hun persoonlijke betrokkenheid bij teksten. Ze introduceert dit thema door het verhaal over de Paston-familie en hun correspondentie te vertellen; deze verhalen geven een inkijk in de dagelijkse aspiraties, zorgen en levens van mensen uit een bepaald tijdperk, en laten zien hoe deze ervaringen de literaire geschiedenis vormen.