‘Fossiele planten, Deel 3: Een leerboek voor studenten botanie en geologie’ van Seward is een wetenschappelijk leerboek dat werd geschreven in de vroege 20ste eeuw. Het richt zich op fossiële gynospermen – vooral zadenfernen (Pteridospermeae), cycadachtige planten, Cordaites en Bennettitales – en maakt gebruik van vergelijkende anatomie, morfologie en systematiek. Er wordt ook veel aandacht besteed aan levende cycaden om evolutieve verbanden te kunnen leggen. Het boek is bedoeld voor studenten botanie en geologie en is rijk geillustreerd. In de inleiding wordt het onderzoeksveld van het boek uitgelegd; er wordt aandacht besteed aan de belangrijke rol van gynospermen en wordt een globale beschouwing van de vroegere flora uitgesteld. Vervolgens wordt een gedetailleerde inleiding gegeven over levende cycaden, waarmee de lezer wordt voorbereid op het vergelijken met fossielen. De inhoud behandelt onder andere het voorkomen en de verscheidenheid van cycaden, hun distributie, bladeren en stammen, voortplantingsstructuren, de mogelijke bestuiving door insecten, en specifieke anatomische kenmerken. Daarna wordt het thema verder uitgewerkt met de zadenfernen, waarbij Lyginopteris oldhamia wordt gebruikt als voorbeeld. Hierin wordt de namenkunde van deze groep verklaard (Lyginopteris wordt preferentieerd boven Lyginodendron) en wordt de anatomie van de stam samengevat: een grote kern, breed secundair xyleem met prominente medullaire stralen, bladsporenbundels en een reticulair cortex. Dit helpt om de relatie tussen stammen, bladeren en zaden te begrijpen (bijvoorbeeld bij het geslacht Lagenostoma). Ten slotte worden de belangrijkste tribussen en genera van zadenfernen genoemd: Cycas, Zamia, Dioon, Encephalartos, Ceratozamia, Macrozamia, Microcycas, Stangeria en Bowenia.