‘Drie meesters: Balzac, Dickens, Dostojevski’ van Stefan Zweig is een verzameling kritische essays die werden geschreven in de vroege 20ste eeuw. Het doel van dit werk is om het leven en de literaire bijdragen van drie monumentale romanschrijvers uit de 19e eeuw te analyseren en te vergelijken, terwijl wordt benadrukt hoe hun unieke persoonlijkheden en schrijfstijlen elkaar complementeren. Zweig richt zich met name op Balzac, Dickens en Dostojevski en duikt in de unieke werkelijkheden van deze auteurs: de maatschappelijke observaties van Balzac, de thema’s uit het privéleven in de romans van Dickens en de existentiële vragen die Dostojevsky behandelt. In het begin van het boek wordt duidelijk gemaakt dat deze essays geen simpele introdukties zijn, maar diepgravende analyses die vereisen kennis van de werken van de auteurs. Het eerste essay gaat over Balzac; hierin worden zijn geboorteaankomst en de sociaal-politieke omstandigheden waarin hij leefde besproken, met name de invloed van Napoleon en de maatschappelijke veranderingen in zijn jeugd. Zweig beschrijft Balzac als een onvermoeibare zoektochtgeest die een volledig begrip van het menselijke leven nastreefde; zijn literaire ambities waren zelfs vergelijkbaar met die van veroveraars, aangezien hij probeerde het hele Franse maatschappijleven vast te leggen in zijn ‘Comédie humaine’. Deze beschouwingen roepen interessante vragen op over Balzacs karakter en de thema’s ambitie en existentiële strijd die centraal staan in zijn werken.