‘Geschichten vom lieben Gott’ van Rainer Maria Rilke is een verzameling korte verhalen die werden geschreven in de vroege 20ste eeuw. Het boek gaat dieper in op thema’s als spiritualiteit, het menselijke bestaan en de relatie tussen de mensheid en het goddelijke, vaak met een humoristische en filosofische toon. Door middel van verschillende verhalen onderzoekt Rilke hoe kinderen God en het universum waarnemen; hij vertelt deze verhalen op een manier die zowel verwondering als nieuwsgierigheid weerspiegelt. In het begin van het boek wordt een gesprek tussen de verteller en zijn buurman gevoerd over alle vragen die kinderen stellen over God. Terwijl ze het onderzoekende karakter van kinderen bespreken, laat de verteller doorschemeren dat hij een verhaal gaat vertellen over ‘de handen van God’. Hij reflecteert hierbij op het proces van creatie en hoe God, verdiept in zijn werk, zich realiseert wat de gevolgen zijn van niet goed opletten op de wereld die hij heeft gecreëerd. Dit zet de toon voor een verhaal dat de perspectief van een kind vermengt met diepe existentiële vragen en een zoektocht naar het goddelijke en diens relatie met de mensheid vertoont. De toon is gesprekzaam, maar ook diepgravend; er ligt een gevoel van urgentie onder dat er diepere waarheden worden overgedragen, zowel aan de buurman als aan het imaginaire kindpubliek.