‘Elke maand van zijn leven: prozawerken’ van Ludwik Bruner is een verzameling proza die waarschijnlijk is geschreven in de vroege 20ste eeuw. De tekst volgt Jan Sten, een jonge Poolse emigrant die in Parijs leeft, terwijl hij zijn gevoelens van isolatie verkent, zijn observaties over het leven in deze dynamische stad maakt en zijn relaties met vrienden en nieuwe kennissen beschrijft. De verzameling behandelt thema’s als liefde, verhuizing en de existentiële uitdagingen van jongeren. Het begin van de collectie introduceert Jan door een reeks brieven die hij schrijft aan zijn zus Wanda. In deze brieven reflecteert Jan over zijn ervaringen sinds zijn aankomst in Parijs; hij vertelt over zijn ziekteproblemen, zijn sociale contacten en zijn groter wordende gevoel van afstand en heimwee. Hij beschrijft hoe hij oude vrienden ontmoet, door de drukbezochte straten van Parijs wandelt en omgaat met een medestudent genaamd Turski en een jonge vrouw genaamd Zaleska. Jan worstelt met zijn emoties; jaloezie en existentiële angst spelen een grote rol in zijn verhaal, terwijl hij zich steeds meer door zijn eigen gedachten wordt opgeslokt dan dat hij zich kan concentreren op het levendige leven om hem heen. Dit eerste deel legt de basis voor een dieper onderzoek naar Jans psyche en benadrukt de tegenstelling tussen de energie van de stad en zijn innerlijke conflicten.