De prozaische Engelse vertaling van ‘Vishnupuranam’ door Manmatha Nath Dutt en H. H. Wilson is een religieus tekst dat werd geschreven aan het eind van de 19e eeuw. Deze vertaling richt zich op het Vishnu Purana, een van de achttien Mahāpurāṇas in de Hindoeïstische literatuur, en biedt diepere inzichten in de creatie, aard en plichten van het universum. Het tekstuele materiaal draait om de god Vishnu, zijn verschillende incarnaties en de rituele en filosofische aspecten van het bestaan. In het begin van ‘Vishnupuranam’ wordt een dialoog tussen Maitreya en de wijze Parāçara verteld. Maitreya, die verlangt naar kennis, vraagt naar de oorsprong van het universum en de principes die het bestaan regeren; hierop vertelt Parāçara het scheppingsmyth dat Vishnu beschouwt als de uiteindelijke bron van alles wat bestaat. De tekst beschrijft ook de cyclische aard van tijd, de vier tijdperken (Yugas) en het proces van creatie, behoud en vernietiging dat door Vishnu wordt beheerd. Kernthema’s zoals de ontwikkeling van verschillende wezens – van goden tot mensen – en hun respectieve plichten binnen dit grotere geheel vormen de basis voor het begrijpen van de complexe relatie tussen het goddelijke en het universum.