‘De Canibus Britannicis: Of Englishe Dogges’ van John Caius is een wetenschappelijk tractaat dat werd geschreven aan het eind van de 16e eeuw. Het werk richt zich op de verschillende hondenrassen die in Engeland voorkomen en beschrijft hun kenmerken, toepassingen en verschillen. De auteur onderzoekt ook hun rol in de jacht en in het dagelijks leven en classificeert ze op basis van hun eigenschappen en functies in verschillende categorieën. In het begin van het tekst wordt Conrad Gesner, een vriend en collega-wetenschapper van Caius, aangesproken; Caius legt uit dat hij de intentie heeft om een gedetailleerde beschrijving te geven van de Engelse hondenrassen. Hij benadrukt de belangrijkheid van deze dieren, zowel voor de jacht als als gezelschap, en stelt dat ze in principe kunnen worden ingedeeld in drie categorieën: edele, landelijke en degenererende rassen. Vervolgens gaat Caius nader in op verschillende rassen uit de categorie ‘edele rassen’ en beschrijft hun jachtvaardigheden en anatomische kenmerken, zoals de hondenrassen Hound en Harrier. Hij wijst erop dat ieder ras een unieke manier van jagen heeft en een specifieke rol vervult. Dit inleidende gedeelte legt de basis voor een uitgebreide beschouwing van hondenrassen en onderstrekt de expertise van de auteur en de belangrijkheid van het onderwerp, zowel voor de natuurkunde als voor menselijke activiteiten.