“Rede zum Schuljahresabschluß am 29. September 1809” van Georg Wilhelm Friedrich Hegel is een filosofisch betoog en een toespraak over onderwijs, geschreven in het begin van de 19e eeuw. Deze toespraak, gehouden tijdens een schoolse plechtigheid ter gelegenheid van het afstuderen, belicht de waarden van onderwijs en de verhouding tussen traditionele en moderne vorming. Hegel bespreekt de noodzaak van een solide basis in klassieke talen en literatuur, terwijl hij pleit voor een evenwichtige integratie van hedendaagse vaardigheden en kennis. In deze toespraak reflecteert Hegel op het belang van onderwijs voor de vorming van individuen en de samenleving. Hij benadrukt de historische betekenis van klassieke vorming, in het bijzonder de studie van Griekenland en Rome, als fundament van een veelzijdige opleiding. Hegel betoogt dat leerlingen door de studie van de klassieken hun intellect kunnen ontwikkelen en hun begrip van de wereld kunnen verdiepen. Hij erkent ook de behoefte aan een modern curriculum waarin praktische kennis wordt opgenomen die relevant is voor de hedendaagse burger, en stelt dat een harmonieuze balans tussen oude wijsheid en moderne behoeften essentieel is voor een robuust onderwijssysteem. Ter afsluiting moedigt Hegel de leerlingen aan om de geleerde lessen mee te nemen in hun toekomstige activiteiten, waarbij hij het belang van dankbaarheid jegens hun opvoeders en de staat benadrukt.