‘Walden’ en ‘Over de plicht tot burgerlijke ongehoorzaamheid’ van Henry David Thoreau zijn filosofische essays en maatschappelijke critieken die werden geschreven in de midden van de 19e eeuw. In deze werken reflecteert Thoreau op het simpel leven in een natuurlijke omgeving, gebaseerd op zijn eigen ervaringen als alleenstaande in de bossen bij Walden Pond. Hij legt nadruk op thema’s als zelfvoorziening, de kritiek van materialisme en de belangrijkheid van individuele gewetenstevigheid en burgerlijke ongehoorzaamheid wanneer het om onrechtvaardige wetten gaat. In het begin van ‘Walden’ vertelt Thoreau over zijn twee jaar alleenwonenden in een door hemzelf gebouwd huis bij Walden Pond. Hij leefde er simpel en verrichtte fysieke arbeid. Hij reageert op de nieuwsgierigheid van de inwoners van zijn dorp naar zijn levensstijl en legt uit hoe maatschappelijke drukken mensen kunnen leiden tot een ‘stil, maar wanhopig’ bestaan. Met levendige beschrijvingen en filosofische overwegingen bespreekt Thoreau de lasten van erfde rijkdommen en maatschappelijke verwachtingen, en stelt dat veel mensen een onbezorgd leven leiden zonder zich af te vragen wat echt belangrijk is. Hij roept op om opnieuw te bepalen wat nodig is voor een vervullend leven, en stelt dat echte geluk voortkomt uit eenvoud, individuele overwegingen en een intieme verbinding met de natuur.