‘Fundamentale principes der metafysica van de moraal’ van Immanuel Kant is een filosofisch tractaat dat werd geschreven aan het eind van de 18e eeuw. Dit werk vormt de basis voor de moderne ethische theorie en behandelt vooral de fundamenten van de morele filosofie en de essentie van plicht. Kant onderzoekt concepten als goede wil, morele verplichtingen en de formulering van morele regels die handelen over wat onafhankelijk is van individuele neigingen. Hij stelt voor dat moraal wordt begrepen op basis van rationele principes. In het inleidende deel verkent Kant de verschillen tussen de verschillende takken van de filosofie en betoont hoe belangrijk een metafysica van de moraal is die onafhankelijk is van empirische invloeden. Hij stelt dat ware morele handelingen moeten voortkomen uit een zuiver gevoel van plicht, gebaseerd op rationaliteit, en niet uit zelfinteresse of emotionele neigingen. Kant introduceert ook het concept van de categorische imperatief: een universele morele regel die rationele wezens moet leiden bij hun beslissingen. Volgens hem ontstaat morele waarde niet uit de uitkomsten van handelingen, maar uit de motieven die zijn gebaseerd op plicht en het intrinsieke gewicht van rationele wezens als zodanig.