Het ‘1811 Dictionary of the Vulgar Tongue’ van Francis Grose is een woordenboek met slang en alledaagse uitdrukkingen dat werd samengesteld in de vroege 19e eeuw. Het boek bevat een uitgebreide collectie van termen die werden gebruikt door verschillende sociale klassen, met name jargon uit de lagere lagen van de samenleving – zoals die van dieven, straatdieven en andere ontaardelingen – evenals universiteitsslang. Het doel van dit werk is om deze kleurrijke en vaak grove taal te documenteren en begrijpbaar te maken. In het voorwoord wordt vermeld dat het originele werk van kapitein Grose is herzien en uitgebreid met moderne toevoegingen, zodat het de veranderende spreektaal van die tijd beter weergeeft. Er wordt aangestipt op de noodzaak om de unieke slang die door verschillende sociale groepen werd gebruikt te begrijpen; vooral rijken en modebewusten ontwikkelden immers hun eigen uitdrukkingen. Grose benadrukt ook de morele betekenis van het begrijpen van deze termen en stelt dat het woordenboek kan helpen om de invloed van vulgaire taal in de samenleving te verlichten, vooral onder vrouwen. Het boek bevatte voorbeelden van verschillende uitdrukkingen, die varieerden van luchtig tot expliciet, en laten zo het kleurrijke en dynamische taalgebruik van die tijd zien.
Herdruk van het Lexicon balatronicum van de auteur; een woordenboek van studentikoze straattaal, universitaire geestigheid en de welsprekendheid van zakkenrollers (nu aanzienlijk herzien en uitgebreid, met de moderne veranderingen en verbeteringen, door een lid van de whipclub).